Sinds de invoering van het capaciteitstarief probeer ik mijn elektriciteitsverbruik niet alleen laag te houden, maar vooral ook niet alles tegelijk aan te zetten.
Want in Vlaanderen telt voor een deel van de nettarieven niet alleen hoeveel elektriciteit je verbruikt, maar ook hoe hoog je piekvermogen is. Of, eenvoudiger gezegd: wie op hetzelfde moment de oven, droogkast, warmtepomp, elektrische wagen en een middelgrote staalfabriek inschakelt, wordt daar financieel niet echt voor beloond.
Een van de redenen waarom ik in maart 2026 een thuisbatterij liet installeren, was dan ook precies dat: mijn piekvermogen afvlakken.
En dat lukte.
Al niet van de ene dag op de andere, want maart 2026 was uiteraard een overgangsmaand. De batterij werd in de loop van die maand geplaatst en de maandpiek bedroeg nog 4,429 kW.
Vanaf april — de eerste volledige maand na de installatie — zag het plaatje er plots een stuk mooier uit:
| Maand | Maandpiek |
|---|---|
| maart 2026 | 4,429 kW |
| april 2026 | 2,514 kW |
| mei 2026 | 2,509 kW |
| juni 2026 | 2,516 kW |
| juli 2026 | 2,505 kW |
Bijna mathematische schoonheid.
Veel lager kan trouwens nauwelijks, want voor het capaciteitstarief wordt sowieso minstens 2,5 kW per maand aangerekend.
Ik was dus behoorlijk tevreden. Na de overgangsmaand maart zat ik vanaf april netjes tegen het minimum.
Missie geslaagd.
Dacht ik.
En toen kwam de jaarafrekening
In augustus viel de elektriciteitsafrekening in de bus.
Ik verwachtte uiteraard niet dat de hogere pieken van vóór de installatie van mijn batterij volledig verdwenen zouden zijn. Maar instinctief ging ik ervan uit dat men gewoon naar de maandpieken zou kijken en daar een gemiddelde van zou nemen.
Dat zou toch logisch zijn?
Blijkbaar had ik hier de fout gemaakt om het woord logisch te combineren met energiefactuur.
Op mijn factuur stond namelijk als facturatiepiek: 5,13 kW.
5,13 kW?
Terwijl ik al maanden rond 2,5 kW zat?
Tijd om de rekenmachine boven te halen.
De maandpiek is niet de facturatiepiek
De eerste verrassing is dat niet gewoon alle maandpieken van de afrekeningsperiode worden opgeteld en vervolgens door het aantal maanden gedeeld.
Er gebeurt eerst iets anders.
Van iedere maand wordt een gemiddelde maandpiek berekend. Dat is een voortschrijdend — of rollend — gemiddelde van de beschikbare maandpieken.
Mijn digitale meter werd eind september 2025 geplaatst. De gemeten maandpieken zagen er als volgt uit:
- september 2025: 5,120 kW
- oktober 2025: 5,919 kW
- november 2025: 5,327 kW
- december 2025: 5,093 kW
- januari 2026: 6,225 kW
- februari 2026: 5,419 kW
- maart 2026: 4,429 kW
- april 2026: 2,514 kW
- mei 2026: 2,509 kW
- juni 2026: 2,516 kW
- juli 2026: 2,505 kW
Voor oktober wordt dus niet alleen naar oktober gekeken.
Het gemiddelde voor oktober is:
(5,120 + 5,919) ÷ 2 = 5,5195 kW
In november worden september, oktober én november samengenomen.
In december vier maanden.
En zo gaat het verder.
Er zit trouwens wel een grens aan dat geheugen. Voor zo’n gemiddelde maandpiek wordt maximaal naar de laatste 12 maandpieken gekeken. Zijn er nog geen 12 beschikbaar, dan gebruikt men gewoon wat er is. Omdat mijn digitale meter pas eind september 2025 werd geplaatst, groeit dat gemiddelde in mijn eerste jaar dus maand na maand mee. Zodra er 12 maanden beschikbaar zijn, schuift het venster telkens één maand op.
Mijn piek van 5,919 kW uit oktober verdween dus niet toen oktober voorbij was. Hij verhuisde gewoon gezellig mee naar november, december, januari…
Een soort elektriciteitsversie van Hotel California: you can check out any time you like, but you can never leave.
Of toch niet meteen.
En dan volgt er nóg een gemiddelde
Alsof één gemiddelde niet voldoende was, volgt daarna nog een tweede stap.
Voor de facturatie wordt over de opeenvolgende gemiddelde maandpieken opnieuw een gemiddelde berekend. En zelfs dat gebeurt niet gewoon per maand: er wordt rekening gehouden met het aantal facturatiedagen.
Een maand met 31 dagen weegt dus iets zwaarder dan een maand met 30 of 28 dagen.
Voor september 2025 telt in mijn geval zelfs maar een stukje van de maand mee, omdat mijn digitale meter pas eind september werd geplaatst.
Uiteindelijk leverde die hele rekenoefening een facturatiepiek op van:
5,129574 kW
Afgerond:
5,13 kW
En precies die waarde verscheen op mijn jaarafrekening.
De berekening klopte dus.
Mijn intuïtie iets minder.
Wat de cijfers in een grafiek laten zien
En precies hier wordt een grafiek interessanter dan nog een paar extra kolommen cijfers.
Maart 2026 is een overgangsmaand: de thuisbatterij werd in die maand geplaatst. Vanaf april, de eerste volledige maand na de installatie, blijft de maandpiek vrijwel constant rond het minimum van 2,5 kW. Het rollende gemiddelde daalt echter veel trager doordat de hogere pieken uit de voorgaande maanden blijven meetellen.
De grafiek laat eigenlijk in één oogopslag zien wat er gebeurt.
Tot februari schommelt mijn maandpiek tussen ongeveer 5 en 6 kW. In maart wordt de batterij geplaatst en vanaf april duikt de echte maandpiek bijna loodrecht naar 2,5 kW.
Het rollende gemiddelde denkt daar anders over.
Dat evolueert veel rustiger:
- maart 2026: 5,3617 kW
- april 2026: 5,0057 kW
- mei 2026: 4,7283 kW
- juni 2026: 4,5071 kW
- juli 2026: 4,3251 kW
Vanaf april doet de batterij dus voorbeeldig haar werk.
De facturatieberekening leeft ondertussen nog een beetje in 2025.
Waarom helpt zo’n lage piek dan zo traag?
Omdat de oudere hoge pieken nog maandenlang blijven doorwerken in dat voortschrijdende gemiddelde.
En dat is eigenlijk de essentie van het hele systeem.
Je kunt vandaag perfect voorbeeldig gedrag vertonen, terwijl je elektriciteitsfactuur nog maandenlang herinneringen ophaalt aan je vroegere uitspattingen.
Het capaciteitstarief is blijkbaar niet rancuneus.
Het heeft gewoon een uitstekend geheugen.
Neem januari 2026. Toen bedroeg mijn maandpiek nog 6,225 kW.
Vanaf april zit ik rond 2,5 kW.
Toch bedroeg de gemiddelde maandpiek in juli nog altijd 4,3251 kW.
Wie dus verwacht dat een spectaculaire daling van zijn maandpiek onmiddellijk even spectaculair zichtbaar wordt op de factuur, kan voor een verrassing komen te staan.
Ik in elk geval wel.
Heeft mijn thuisbatterij dan weinig nut gehad?
Integendeel.
Sinds de batterij actief is, slaag ik erin om mijn maandpiek structureel rond de minimale 2,5 kW te houden. Dat was, naast het verhogen van mijn zelfconsumptie van zonne-energie, precies de bedoeling.
Alleen wordt het financiële resultaat daarvan niet onmiddellijk volledig zichtbaar.
De oude hoge pieken moeten geleidelijk uit het voortschrijdende gemiddelde verdwijnen.
Met andere woorden: een thuisbatterij kan je pieken vandaag afvlakken, maar ze beschikt jammer genoeg niet over een tijdmachine.
Mijn 6,225 kW uit januari kan ze niet alsnog gaan repareren.
Ik heb het nagevraagd.
De moraal van het verhaal
Wie zijn capaciteitstarief probeert te verlagen, kijkt dus best niet alleen naar de maandpiek die elke maand geregistreerd wordt.
Die maandpiek is belangrijk, maar ze is slechts het begin van de berekening.
Sterk vereenvoudigd ziet de keten er zo uit:
maandpieken → voortschrijdende gemiddelde maandpieken → facturatiepiek → capaciteitstarief
Daardoor kan er een behoorlijk verschil zitten tussen wat je de laatste maanden op je digitale meter ziet en wat uiteindelijk op je jaarafrekening verschijnt.
Mijn eigen voorbeeld vat het mooi samen:
maart 2026: overgangsmaand, nog 4,429 kW
april tot juli 2026: maand na maand ongeveer 2,5 kW
facturatiepiek op de jaarafrekening: 5,13 kW
Niet omdat de meter fout meet.
Niet omdat de leverancier zich vergist heeft.
Maar omdat het verleden in het capaciteitstarief nog een hele tijd blijft doorwerken.
Mijn thuisbatterij heeft dat verleden ondertussen keurig achter zich gelaten.
Nu mijn elektriciteitsfactuur nog.


